Wandelingen door België | Page 5

Not Available
den geesel der periodiek wederkeerende crisissen nóg niet is gedoofd. Vroeger, toen de vraag zoo groot was dat men tot iederen prijs den arbeid moest verhaasten en vermenigvuldigen, toen was die vroolijke, opgewekte stemming een natuurlijk gevolg van de overvloedige verdiensten. Te Jemmapes, te Bergen, te Saint-Ghislain weet men nog te verhalen van de weelderige, verkwistende levenswijze in die dagen, toen het voor de mijnwerkers bijna het gansche jaar door kermis was. De vrouwen der mijnwerkers, zoo zegt men, kleedden zich in zijde en fluweel, versierden zich met goud en edelgesteenten, en hielden er eene meid op na. De mannen dronken, in de herbergen en de danshuizen, champagne en fijne wijnen en lieten zich de kostbaarste gerechten voorzetten. Maar de tijden zijn sedert veranderd: met smullen en feestvieren is het gedaan: de arme Borains mogen nu blijde zijn als zij in het noodigste kunnen voorzien, en van dag tot dag, van jaar tot jaar, hebben zij te kampen met het altijd dreigende gebrek. Doch de oude vroolijkheid moge, door de moeielijke en zware tijden, eenigszins gedempt zijn, uitgedoofd is zij niet, al heeft zij soms een bijsmaak gekregen, die verre van geruststellend is. In hun luiden schellen lach klinkt een toon van verborgen hartstocht, van bitterheid en toorn: hunne vroolijkheid is vaak de onechte, ongezonde vroolijkheid van een volk, dat zich ongelukkig voelt, zich verongelijkt acht en door wrokkende wangunst wordt verteerd. Hier vinden de apostelen en predikers van het socialisme een wel toebereiden, vruchtbaren akker; en met gretig oor luisteren deze mannen en vrouwen naar de dwazen en verleiders, die in de schrilste kleuren hun rampzalig lot afmalen, en hun een geluksstaat voorspiegelen, waaraan de profeten zelven wel geen oogenblik gelooven, maar waarvan de schildering er op berekend is om deze arme hersens te verwarren en te ontvlammen, en in deze zoo licht bewegelijke gemoederen de slechtste en gevaarlijkste driften en neigingen wakker te roepen.
Iemand, die de mijnwerkers zeer goed kende, zeide eens tot mij: "Naar den eersten indruk oordeelende, zou men hen voor slecht en verdorven houden; maar zij zijn veeleer ruw en onbeschaafd, zonder eenig besef van wellevendheid en betamelijkheid. Daarbij komt dat zij in de hoogste mate zorgeloos zijn en van sparen geen begrip hebben; zij leven letterlijk van den eenen dag op den anderen, zonder zich in het minst om de toekomst te bekommeren; zij staan geregeld in het krijt bij den bakker en den kruidenier, en wanneer zij geld hebben, verspillen zij het op de buitensporigste manier aan feesten en drinkgelagen, aan weddenschappen, balspel en schijfschieten, waarvan zij hartstochtelijke liefhebbers zijn. Ondanks hunne ruwe onbeschoftheid, hun gestadige vechtpartijen en herhaalde botsingen met de justitie, zijn zij in den grond niet boosaardig van natuur en wel te leiden."
Hij die zoo sprak, had geen ongelijk: het weinige geld dat zij verdienen, wordt verbrast in de kroegen, roekeloos weggesmeten of verdobbeld, want het spel is de grootste liefhebberij van die mannen, die zelven voortdurend hun leven op het spel zetten; maar wat mijn zegsman er niet bijvoegde, is dat al deze uitspattingen en buitensporigheden, hun jenever drinken en hun dobbelen, in de eerste plaats moeten dienen om hun hunne ellende te doen vergeten, hun worstelen met het gebrek, het steeds dreigend doodsgevaar waarin zij verkeeren, den openbaren verkoop wegens schuld van hun armzaligen inboedel, den jammer van hun afschuwelijk bestaan in de ingewanden der aarde. Voor dezen arbeid gebruikte de oude wereld haar veroordeelde slaven en misdadigers; de mijnwerkers van de Borinage heeten vrije mannen en staatsburgers; misschien zullen zij eerlang kiezers zijn, en rusteloos preekt men hun de fraaie theorie?n der algemeene gelijkheid voor...... Aan welke zijde is de onbarmhartige wreedheid, de demonische spotternij?

II
Van Bergen tot Quiévrain strekt zich de lange reeks der mijnwerkersdorpen uit: Jemmapes, Quaregnon, Saint-Ghislain, Boussu, Elouges, Cuesmes, Dour, Paturages, Frameries, Flénu, Hornu. Maar terwijl te Jemmapes, te Quaregnon en Saint-Ghislain aanzienlijke vlekken, die bijna het voorkomen hebben van kleine steden, nevens de kolenindustrie ook nog andere takken van nijverheid worden beoefend, dragen Elouges, Dour, Frameries, Cuesmes, Flénu, den echten onvervalschen stempel van de Borinage.
Hier volgen de mijnwerken elkander onafgebroken op; overal ziet men de kale hooge terpen, die het uitzicht belemmeren; overal steken de wanstaltige getimmerten en de leelijke schoorsteenen in de lucht en bedekken met hun schaduw, zoowel als met hun regen van vuilen smook en kolenstof, de kleine huizen met roode daken, die als paddestoelen aan hun voet zijn opgeschoten. Evenals rondom de muren van den feodalen burcht de hutten der hoorigen stonden gegroept, zoo omringen de armoedige krotten der mijnwerkers aan alle kanten de mijn; daar slijten zij hun leven in de gloeiende atmosfeer van den minotauros, zoo als de hoorigen in de vaak dreigende nabijheid van den machtigen landheer, wiens toorn hen verdelgen kon. Maar geen ruwe, onbarmhartige, tirannieke middeleeuwsche baron vergde immer van zijne hoorigen zoo vreeselijke
Continue reading on your phone by scaning this QR Code

 / 63
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.