met het bloeiende groene kleed van het opluikende boschje, dat zijne twijgen en bladeren wiegelt op den wind en te midden van het groote ledig van het doodsche landschap eene verkwikking, een wellust voor de oogen is.
Geheel de Borinage vertoont hetzelfde beeld. Omdolende door dit verschrikkelijke land, krijgt ge den indruk dat de bewoners door een demonisch noodlot gedoemd zijn tot den hopeloozen arbeid om eene duistere, onderaardsche zee leeg te schoppen, en nu, buiten bereik van zon en sterren, hun leven slijten in nooit rustende pogingen om hunne taak ten einde te brengen. Geene genade voor deze veroordeelden, geen uur, geen oogenblik van rust en verademing; bezwijken zij, dan staan anderen gereed om hunne plaats in te nemen. Want altijd en altijd door vraagt de mijn haar offers, niet alleen krachtige mannen en jongelingen in den bloei der jeugd, maar ook kleine kinderen, jonge dochters en moeders. Op den leeftijd, waarop het kind, lachend en dartelend, het leven gaat intreden, wordt het reeds in den afgrond geworpen, evenals het jonge meisje, in den opgang der teedere jeugd. De moeder zelve des gezins, die den huiselijken haard behoorde te bewaken en daar al de leden der familie, als om een levend middelpunt, om zich moest vereenigen, ook zij zelve wordt niet gespaard; ook zij moet zich in de gevloekte mijn, als een lastdier, voor de berlaines spannen, de karren, waarmede de kool vervoerd wordt. Op dertigjarigen leeftijd is de vrouw, op wie de verplichting rust om haar schoonheid en boven al de reinheid en frischheid van haar gemoed tot in den hoogen ouderdom te bewaren, ten gevolge van dezen verschrikkelijken arbeid in de mijnen, die haar tot slavin maakt van een werk dat met haar natuur strijdt en tevens tot slavin van den man;--op dertigjarigen leeftijd is zij eene afgeleefde, verwelkte tooverkol, wier gebogen figuur en hoekige vormen afschuw inboezemen, die rookt, zich bedrinkt, vloekt en tiert als de ruwe kerels, met wie zij voortdurend in aanraking is. En nog mogen zij zich gelukkig rekenen, de mannen zoowel als de vrouwen, als de onverzadelijke minotauros hen nog levend, zij het dan ook geschonden en verminkt en gebogen, haast meer aan dieren dan aan menschen gelijk, aan zijne vreeselijke kaken laat ontsnappen;--want zoo vaak worden zij allen zijne prooi en worden geveld als slachtoffers zijner demonische lusten.
Evenals men op Kreta jonge meisjes opvoedde om geofferd te worden, zoo wordt hier de jeugd groot gebracht voor de mijn. Een paar dagen na een der geduchtste rampen, die deze landstreek hebben getroffen, zeide eene moeder tot mij, terwijl zij met een akeligen grijnslach op den zuigeling aan hare borst wees: "Dat is voor de Agrappe!" Die Agrappe nu, wier naam, eenige jaren geleden, half Europa van ontzetting huiveren deed en nu ook eensklaps voor mijn geest het schrikkelijk beeld opriep van een aantal mannen door eene ontploffing gedood;--die Agrappe was de mijn, die door haar uitbarsting half Frameries vernielde. In de bitterheid haars harten, in haar sombere, broedende wanhoop had die moeder, met ruwe brutaliteit, de vreeselijke waarheid gesproken.
En toch, zoo groot is de kracht der gewoonte, zoo groot ook de half onbewuste moed dezer ruwe bevolking, dat ge bijna overal een onbekommerd ter zijde zetten van het gevaar, eene luchthartige onverschilligheid, ja zelfs wel de liefelijke bloem der hoop, in de harten ontsluikende, vinden zult. Zoo gaat de zeeman vroolijk aan boord, en denkt er zelfs niet aan, dat de golven zijn graf kunnen worden. Daar is inderdaad, onder sommige opzichten, veel overeenkomst tusschen het leven van den zeeman en dat van den mijnwerker, in zoo verre beiden het onbekende trotseeren en ieder oogenblik door den steeds dreigenden dood kunnen worden geveld. Ach, maar is dat eigenlijk niet met ons allen het geval? En is het in werkelijkheid wel zoo vreemd, dat zij, die van kindsbeen af dagelijks in dat gevaar verkeeren, daarmede in het eind vertrouwd raken, en er even weinig aan denken als wijzelven, wier gewaande veiligheid toch in den grond der zaak even onzeker en bedriegelijk is? Alleen omdat wij, niet aan die levenswijze gewoon zijnde, het gevaar in dezen vorm zoo duidelijk zien, verbaast het ons, als wij nader kennis maken met de talrijke bevolking van de vele dorpen, die zich rondom de mijnen gevormd hebben, dat de vrees voor, en zelfs de gedachte aan het steeds dreigende doodsgevaar, in het leven van den mijnwerker zoo luttel plaats beslaat. Daar zijn er, ja, enkelen, in wier starre blikken ge als het ware de ontzetting lezen kunt, door de verschrikkingen van den afgrond hunner ziele ingeprent; maar, voor zoo ver de dierlijke arbeid niet alle menschelijk gevoel heeft uitgedoofd en hen tot werktuigen verlaagd, kenmerken de mijnwerkers van de Borinage zich veeleer door eene ruwe, luidruchtige, buitensporige vroolijkheid, die zich vooral op kermissen en feestdagen uit, en zelfs door

Continue reading on your phone by scaning this QR Code
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the
Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.