Johan Doxa | Page 7

Herman Teirlinck
gloeiende oogjes blikkerden buitengewoon. Ze trachtte met wippende sprongskens en klein gekrijt de aandacht van haar bedrukten meester naar het spectakel van een leelijke gebeurtenis te lokken. Johan evenwel lag op het plankier ineengedrongen en drukte in zwijgende wanhoop zijne ellebogen op zijne knie?n, en keek halsstarig voor zich uit. In den geluidloozen tralietrommel hing het eekhoorntje, dat dood was gegaan.
* * * * *
"Anatole", zei Johan Doxa, terwijl zijn bleeke vriend op den rand van de ijzeren koets zijne nagels schoon maakte en, daarnaast, de witte gezichten van Biebuyck en Donkerwolck boven de gele heupen van de viool en cyther opgeschoten, "ik zeg het u, zoo lange dagen en dagen heb ik over dat ding te zwoegen gezeten. Hebt ge de lieve madeliefjes gezien, die ik langs een wiegend thema van blaadjes en knopjes op den steel geschilderd heb? Gij waart vaak de verwonderde getuige van mijne verduldigheid. Het groene sijsje zong perelend onder ginds vierkante zonnelicht. Het eekhoorntje draaide. Ja, mijn vriend, ik heb dat werk versierd met een warm stuk van mijn innigste gedachtenleven. In den dikken nevel almeteens pletste het brutale mannengezicht open, gelijk een vieze vloek. Het was op het Zaterdagplein onder den driearmigen lantaarn. Hij rookte dus uit mijnen pijp. Vraag mij nooit iets meer daaromtrent Anatole. Ik heb u immers alles verteld...."
Anatole vroeg evenwel nog hoelang ze met den politie-agent getrouwd was, maar Johan wilde geen woord meer reppen. Hij stond leunend tegen het kleine tafeltje. Zijn blonde krullen hingen verward over zijne ooren en hij staarde op de vloer, waar de ekster een hoop witte kruimels uiteen bekte. Anatole zong het liedje van de Drie Gezellen, en daarna een ander nog, van het Euverzwijn. De dag was grijs en triestig en de schaduwsluierde stille langs de muren.
* * * * *
Johan Doxa was nu een zeer onrustig mensch geworden. Des nachts sliep hij niet en over dag liep hij het huis op en af, of drilde gichtig de Lage Stad omme. Moeder Doxa merkte alweer dadelijk het vreemde verschil en zij wist geen raad om haar pover kind tot een betere stemming te brengen. De moedelooze toestand van Johan brak uit in zonderlinge uitslagen. Hij werd gefolterd door pijnlijke verlangens en zijn verbeelding was vol met duizelige tafereelen. Terwijl hij slapeloos op zijn sponde lag, recht uitgestrekt, kwamen de mistige vormen van zijne gedachten door de lauwte van het kamertje varen. Ze wiegelden in de lucht zooals wuivende sluiers en ze hadden de kleur van de roomblanke huid, waaronder zacht-roze vloeit het gloeiende bloed. Ze naderden zijne heete lippen en hij hijgde ongelijk en de nacht rok zich uit, alsof nooit de vrije dag zou klaren.
Anatole vertelde hem van het lichte leven en van de jolige jeugd. Hij zag, bij elk woord dat zijn listige vriend fijn uitteekende met zijn naakten mond, het gebaar en de weelde van die ongekende pleizieren, waaronder vlamt en wappert het dansende vuur van rappe passie. Hij werd nieuwsgierig, trachtte met oolijke wendingen de verscholen bijzonderheden te kennen en zijn geest was altijd op zoek, een versch beeld beloerend dat uit een ongezond toeval van detailleering kon ontstaan. Hij vluchtte al meer en meer de bezoeken van Lieven Lazare, die, met orakels en profetie?n, zijn opgejaagde hersens in de war hielp, maar des te gretiger liep hij het bleeke gezelschap van Anatole na.
* * * * *
Op een dag werd besloten dat Johan Doxa naar de Old Curiosity Shop de kameraden Donkerwolck en Biebuyck vergezellen zou. Er was dien avond een klein concert in de bovenzaal en Johan moest den triangel slaan. Zoo kon hij alles eens goed aflonken en er zich een eigen oordeel over maken. Ze gingen met hun drie?n. Ze bereikten de bovenzaal langs een klein diensttrapje en dit was gelukkig, want er zat veel ruchtig volk in de grootere consommatiekamer en Johan zou nooit de krasse uitroepingen te boven gekomen zijn, waarmede men daar zijn drollig-vet voorkomen en zijn zeldzaam aangezicht hadde gegroet. Hij werd tusschen Biebuyck en het klavier geplaatst en hij keek beteuterd rond. De zaal was zeer helder verlicht. Groote elektrische klokken hingen tallenkant, gelijk ongemeene bloemen, te stralen. De wanden waren behangen met een scharlaken brokaat, dat tegen de zoldering langs gouden festoenen en kleine empirekransen fronste. Spiegels hingen links en rechts in zilveren lijsten te klateren. Drie kleine tafels stonden op het karmozijne tapijt en groote krysanten pronkten er tenden den glimmenden hals van hooge porseleinen vazen. Een lakei in groene livrei liep in drukte rond, schikte de satijnen zetels en de sofa's waar rustten, als vlekken zon, ronde hard-gele kussens. Het was erg warm. Men hoorde, in de benedenkamer, het geraas van het drinkende volk. Een klein uur vervloog....
Toen werd het teeken gegeven dat de muziek spelen moest. Ze klonk ongezellig binnen deze ledige kamer en Johan
Continue reading on your phone by scaning this QR Code

 / 33
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.