Johan Doxa | Page 6

Herman Teirlinck
Het struische gelaat van Julia kwam, ietwat magerder, op den bruinen verfgrond te voorschijn. Hij schilderde haar uit het hoofd, legde parelen om heure haren en licht gebloei daarlangs. Een doorzichtig keurslijf lag losjes open op haar boezem, en ze hield een dubbele dahlia in hare rechter hand. Voor haar, op de tafel waar ze statig aanzat, was het of ze zoetekens over een mandje met allerlei bloemen vingerde. Bloemen waren overal rond haar,--tulpen en leeljen in waaiervormigen tuil opgroeiend uit een groote zilveren vaas, rozenranken langs het raam van 't venster, en een karmijnen koningskroon in een blauwen, familiairen tabakspot.... Aan den eenen kant zat de ijverige eekhoorn, aan den anderen de dubbende ekster; maar het sijsje was er niet. Het gansche portret was een eigenaardige menging van levend licht en doode herinneringen, tegare gewisseld in een gladde verve van subtielen toon. Johan Doxa borstelde aandachtig erlangs en eromme, slierde met haarfijne nauwkeurigheid rond den bleeken dons van het vlezige aangezicht en tooverde traag een vollen dag in de starende strakheid der glimlachende oogen. Hij was bovenmatelijk in zijn schik. Het eekhoorntje draaide binnen den zacht-ronkenden traliemolen. Maar aan Lieven Lazare zei hij niets van dat alles. Hij hield in dien tijd niet veel van Lieven en vluchtte zijne strenge redeneeringen. Er bleef van dat acute gepreek bij Johan Doxa iets over, dat onduidelijk op wroeging leek en naar een geducht berouw leiden moest. Het docht hem halvelings dat hij, met de gebaren van zijne vreemde liefde, aldoor zondigde tegen de behagelijke wetten van God. Lieven Lazare benaderde in slaande bewoordiging deze zedelijke zwakheid en raadde precies de ongemakkelijke stemming, waar, binst zulke oogenblikken, zijn vriend Johan gekluisterd zat. Hij liet niet na hem hierover met goddelijke wreedheid te berispen.
--"Gij zijt, mijn jongen", sprak hij, "overvallen door de mistige monsters der tempteering. Ik zie u spartelen tegen de satanische belegering en uw hart schijnt me toe als een poppelend schuchterheidje, een angstig asemtje, een gesmoorde kreet.... Zijt ge onkuisch mijn vriend?"
Johan Doxa verklaarde haastig dat hij zuiver en gezond was gebleven. Hij vreesde de sterke waarschuwingen, welke hij in den naam van God en langs God's eigen woord ontving, en zoo kwam het, dat hij het gloeiend geheim van zijne blijde gedachten voor zich zelf bewaarde, verborgen en eenzaam op het lage zolderkamertje, tusschen het vlakke portret, de blauwe tabakspot, de peinzende ekster en het triptrappende eekhoorntje.
* * * * *
Op een avond gebeurde echter een ongemeen geval. Johan Doxa wandelde om de platte kaaien van de breede vaart. Het was een najaarstijd. Een druppelende nevel hing over het water en de gele lanteernlichten vlekten wijdopen op de dichte damplagen. De avond was dik en rot. Rappe menschen schoven voorbij of een eenzame wagen waggelde gelijk een ruchtbare schaduw door de grijze massale duisternis. Op de ijzeren brug die naar de dokken leidt, bleef Johan stille staan. Hij staarde naar de klotsende vaart waar het roode licht van een signaalbord roerend brokkelde. Een stille zwarte boot gleed binnen de misten. Men hoorde het verre geronk en de belrinkeling van een zoevende elektriektram. Johan Doxa dacht, naar gewoonte, aan zijne heldere toekomst, want hij placht gaarne het beeld van zijne liefde te verplaatsen in de zonnigheid van een komende welvaart. Hij zag zeer duidelijk het huisje met de oranje luiken, den wilden wingerd boven de deur, het zomerlicht op den drempel. Hij zag den haard met de zoete warmte en den zoeteren vrede. Hij zag Julia. Een stille boot voer, zwart en water-roerend, onder de brug, en het roode signaallicht kronkelde langs de schokkende golfjes. Het sloeg negen uren op den ouden Kathelijne-toren.... Hij kuierde de dokken voorbij, keerde om naar de Vischmarkt en sloeg een smal steegje in, dat op den hoek van het Zaterdagsplein uitzicht gaf. Hij had zijne handen in zijne broekzakken gestoken en ging al fluitend. Op het Zaterdagsplein stond een driearmige gaslanteern en, juist onder de gele klaarte, een onbeweeglijke politie-agent. Johan Doxa zag hem pas als hij heel dicht bij hem genaderd was, want de nevel dikte nu tallenkant zoo zwaar, dat de straten op vierkante holten leken, waar verwijlde een vette smoor. Johan blikte even naar den politie-agent op, dewelke, paalrecht onder zijn opgestoken kapeline, rustig te rooken stond....
Maar ineens begon Johan Doxa te loopen, te loopen alsof hem een schielijk gevaar op de hielen zat. Hij hield niet op vóór hij de Zes-penningenstraat bereikte. Hij struikelde hijgend tegen het groene hekje en sukkelde wild-blazend de trap op. De leuning piepte en de trapberden kraakten. Hij stak op het zolderkamertje eene kaars aan, die hij op den kant van de tafel plantte en zakte toen op zijne knie?n, geheel dooreen, als een halm door de zeis getroffen.
De ekster zat niet op haar rustige plaats. Ze vleugelde angstig over de geel-bruine bedsargie en hare
Continue reading on your phone by scaning this QR Code

 / 33
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.