Johan Doxa | Page 8

Herman Teirlinck
Doxa voelde in zich eene holle ellende, gelijk een kelder vol triestigheid. Maar de dubbele deur werd opengeduwd en eenige bejaarde heeren traden binnen. Ze babbelden ondereen en waren hier thuis. Ze zetten zich in de mooie zetels en de lakei bracht kaarsen en sigaren en ze begonnen te rooken. Koffie werd opgediend. Enkele dronken gulden cognac uit fijne hooge glaasjes. Dan kwamen de dames.
Ze kwamen langzaam en glimlachend. Hunne stemmen zilverden boven de muziek heen en hunne blikken blonken dwaas door de geweldige verlichting. Ze waren in lichte bonte dracht, bespikkeld met de glanzen van duizenden gesteenten, en hunne armen, hunne amberen schouders, hunne ronde halzen waren bloot. Hun boezem was beschaduwd door de mauve doezeling van een rankje bloemen of met een teere sluier gekleurd. Ze groetten en knikten en de heeren slurpten aandachtig aan de witte randden van de nauwe kopjes koffie, die krullend opdampte langs hun roode gezichten.
De lakei stond kaarsrecht, bij de dubbel deur, in heerlijk Veronèse- groen.
Het was omtrent dien tijd dat ook de ekster stierf op een morgen van dien grijzen winter. Johan Doxa lag op zijn bed en zag in de rijzende ochtendklaarte hoe zij al meteens te vleugelen begon. Ze klampte zich ongedurig vast aan de gladde randen van den blauwen tabakspot, zakte plots ineen, stortte voorover en rolde op haar rug. Nog bibberden hare pootjes. Ze rok een laatste maal hare keel uit, over het berd van de tafel, en roerde daarna niet meer.
Johan stond in zijn hemd bij de tafel. De ekster bekeek hem met hare scherpe oogen en het was of ze, in haar uiterste vuur, zeggen wou: "Kerel! Kerel! wat ga-je nu doen zonder mij?" Ze stierf.
Het zolderkamertje werd hem sindsdien een duisterheid zonder genade. Hij kon er niet meer zitten, zooals eertijds, want, al had hij ze ook weggegooid, daar hingen altijd het vogelmuitje en de tralietrommel en daar zat, op zijn blauwen buik, de glanzende tabakspot. Hij sprak hierover met de goede moeder Doxa, achter de toog van het vunzige poppenwinkeltje, en, de volgende week, verhuisde hij. Hij betrok een kleine kamer onder het dak, in het oude huis van de Papenveste en schikte er zijn ijzeren bed en zijn verschilligen schildersboedel.
* * * * *
Het was daar een raar leventje. Straatvloers woonde de herbergier, op de eerste verdieping huisde Julia met haren nieuwen echtgenoot, op de tweede lawaaide de weduwe Sikkel, met hare negen kinderen, en hooger op, onder de pannen, nestte Johan Doxa, geheel alleen. Deze verandering van midden was hem zeer voordeelig. Hij werd rustiger, stilde in zijn hersens de ziekelijke opgejaagdheid, die er eene monsterachtige verbeelding voedde, en hernam zijn ronde palet. Allengerhand begon hij klaar te zien in de troebele gronden van zijn hart en hij geraakte tot een helder zicht van zijne liefde. Hij legde dit uit in een kort gesprek met Anatole:
--"Alles om mij", zei hij, "bezakt en bedaart. Begrijp goed, mijn vriend, dat ik een ben, die de geschoren stoppelhaartjes van een baard te tellen pleeg. Hoe heeft me die spijtige gebeurtenis beroerd en gekoterd, ach! Stel u dat onweder voor. Nu is de roes gezonken. Ik kan weer schilderen. Ik bemin Julia meer dan ooit, maar nu weet ik precies hoe vurig en hoe lang. Ik ben nu ook veel gelukkiger. Wel ja! wat glimlacht ge? Ik ga langzaam de trap op en af, en soms hoort ze mij, en ze trekt haar deurtje open en ze knikt liefelijk of zegt met onuitsprekelijke innigheid: "Hoe vaart ge, mijnheer Doxa?" Andermaal ontmoet ik haar beneden, in den gang vóór de herbergzaal. Ze loopt me nooit onbeleefd voorbij, zooals zij wel het recht zou hebben te doen, zal u toch dunken. Zij komt ook aleens op mijn kamertje en zij wil mijne schilderijen goed vinden. Ik werk veel om haar wat te kunnen toonen; maar ik verkoop ongaarne, wat zij met hare lieve oogen heeft opgemerkt. Zij zet mij nochtans tot verkoop aan, en ik kan haar niets weigeren. Zij is, sinds haar huwelijk, zeer arm. Ik ben blij dat ik haar soms een beetje helpen kan al is zij ook daarom uitermate verlegen. Zoo leven wij, mijn beste jongen. Och ja! En de man, de politieagent, die is insgelijks vrij aardig. Wij zijn goede kennissen en gaan reeds op een vriendschappelijken voet om met mekaar. Wij drinken bij gelegenheid een half-en-half bij den herbergier beneden.
"Hij houdt veel van duiven, en hij doet mee aan prijskampen. Ik heb hem dees gedeelte van mijne kamer afgestaan en, zie maar, hij heeft er een groot duivenkot opgetimmerd dat met een witten kijker uitzicht geeft op het dak. Wat kan het mij schelen? Ik doe dien mensch pleizier. 's Morgens, al heel vroeg, terwijl ik nog te bed lig, komt hij de duiven eten brengen. Ik laat mijn deur maar open
Continue reading on your phone by scaning this QR Code

 / 33
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.