man zóó trouw verzorgden, dat een
moeder niet beter op haar kind kon passen.
Eindelijk hadden Tom en Jan het genoegen te zien, dat hun zeevader
het gevaar te boven was en langzaam van zijn ziekte herstelde.
Van dien tijd af was meester Barend aan de jongens gehecht, alsof het
zijn eigen kinderen waren. Maar wat gebeurde er? Reeds waren
verscheidene manschappen aan de ziekte bezweken en had de kapitein
besloten het eiland Curaçao aan te doen om hen, die nog ongesteld
waren, aan wal te brengen, het heele schip te laten zuiveren en versch
drinkwater in te nemen. Niemand onzer gevoelde hierover eenige spijt
en allen zagen verlangend uit naar het oogenblik, dat het eiland in het
gezicht zou zijn.
"Wel, Tom," zei ik op zekeren dag, "zie je niets?"
"Ja," was het antwoord, "ik zie wel wat, maar ik kan nog niet zeggen
wat het is!" Opeens echter kwam de kommandant op het voorschip
loopen en gaf bevel, dat alle zeilen terstond moesten gereefd worden.
Wat Tom zag, was geen schip, geen bergtop, geen eiland, het was een
wolk, die spoedig al grooter en grooter werd. Opeens ging de wind
liggen; het werd bladstil. De wimpel zakte neer en de zeilen hingen slap
tegen het want.
"Handen uit de mouwen, jongens, we krijgen storm! En storm in deze
zee zegt zoo iets!" riep meester Barend.
Wij hielpen waar wij konden, maar konden niet begrijpen vanwaar die
storm nu komen moest.
"Bravo!" riep nu de kommandant, "dat heet ik werken! Mijnheer
Blaasbalg kan nu komen en wij hopen hem moedig het hoofd te
bieden!"
Intusschen was in minder dan tien minuten tijds de heele westelijke
hemel met wolken bedekt en wel met wolken, zooals ik ze nog nooit
gezien had. Ze waren zoo blauw-zwart als leien, en onderwijl we er zoo
naar stonden te kijken en de anderen op het dek alles vastsjorden wat
los stond, hoorden wij een onophoudelijk gerommel, even alsof er in de
verte een boerenwagen over groote straatkeien reed.
Eensklaps begon de lucht ook van de andere zijden te werken en
hoewel het midden op den dag was, werd het zoo donker, alsof de zon
zooeven was ondergegaan.
Het gerommel werd sterker; en zoo mogelijk werd het nog stiller. En
drukkend heet dat het was! Men had het overal te kwaad; want zelfs in
het topje van den grooten mast was geen koeltje te voelen. Het waren
vreeselijke oogenblikken. We wisten allen, dat er wat komen zou en de
een keek den ander aan, alsof hij vragen wilde: "Komt het nog niet?"
Eensklaps schoot er zulk een bliksemstraal door de lucht, dat er uit alle
monden een: "Hè!" klonk en de slag, die er op volgde, geleek veel op
het bombardement van Algiers, maar het geluid was nog sterker! Dit
was het begin van het vreeselijkste onweder, dat ik ooit heb
bijgewoond. Tom en Jan waren overal waar ik was en ik was overal
waar meester Barend was. Zeker dachten we, dat die man ons helpen
kon. Angstig zag meester Barend uit naar den wimpel, die nog altijd
langs den mast nederhing. Als die zich begon te bewegen, dan....
"Hij komt, jongens, hij komt!" riep hij onverwachts.
"Wie, meester Barend, wie komt er?" vroegen wij alle drie te gelijk.
"De orkaan, kinderen, de orkaan!" was zijn antwoord, en pas had hij dat
gezegd of het schip, dat doodstil gelegen had, bewoog zich even, de
wimpel begon te trillen, in de verte zagen we golven aankomen, de
masten kraakten, het want zuchtte en kreunde, de wimpel fladderde
rond, nog een vreeselijke donderslag klonk en...
Daar lagen we alle vier op het dek! We waren op den eersten aanval
van den orkaan niet bedacht geweest. Met moeite stonden we op; de
eene zee na de andere sloeg over het dek, totdat eensklaps meester
Barend uitschreeuwde: "Man over boord!"
"Man over boord!" riep men aan alle kanten.
Wij hadden met ons vieren niet bij elkander kunnen blijven; we werden
van stuurboord naar bakboord geslingerd en toen ik eindelijk bij
meester Barend aankwam en hem vroeg: "Wie is er over boord
geslagen?" wees hij op Tom, die radeloos van droefheid zich aan
meester Barend vastklemde en uitriep: "Jan, meester Barend, red Jan
toch! Jan! Jan!"
Maar er viel niet aan te denken iemand te redden; geen boot kon te
water gelaten worden. Nu eens waren we boven op een waterberg, dan
in een waterdal. De masten bogen als breinaalden en hier en daar werd
een zeil losgerukt en een touw afgebroken, alsof het met een scherp
mes doormidden gesneden werd.
Zoo hield de orkaan wel een vol uur aan en toen hij wat begon te
bedaren, zag het er aan boord vreeselijk uit. De groote mast en de fok
lagen over boord; de watervaten waren van hun plaatsen geschoven; de
affuiten
Continue reading on your phone by scaning this QR Code
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the
Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.