hun
zakken. Als wilde beesten, als razenden, stortte het volk zich op hen.
Zeer velen konden zich nog redden door tegenwoordigheid van geest;
velen werden nog ontzet door de GARDE COMMUNALE, die overal
patrouilleerde in die dagen; anderen werden zwaar verwond en
verminkt; zes mensen werden op de meest onbarmhartige manier
vermoord.
Er is geen afgrijselijker aanblik dan die volkstoorn, die om bloed vraagt
en zijn weerloze slachtoffers wurgt. Dan stroomt er door de straten een
donkere mensenzee, met daarin arbeiders in hemdsmouwen als witte
golfkopjes. Alles giert en bruist, genadeloos, heidens, daemonisch. In
de RUE ST DENIS hoorde ik de oude kreet "À LA LANTERNE" en
woedend vertelden enkele stemmen mij dat ze een gifmenger aan het
verhangen waren. Sommigen zeiden dat het een koningsgezinde was –
ze hadden naar het schijnt een BREVET DU LYS in zijn tas gevonden,
een soort vrijgeleide met het leliesymbool; anderen beweerden dat het
een priester was, en die zijn tot alles in staat. Aan de RUE
VAUGIRARD werden twee mensen vermoord, omdat ze een wit
poeder op zak hadden. Ik zag één van die ongelukkigen, toen hij nog
een beetje rochelde. Oude vrouwen zelfs deden hun klompen uit en
sloegen hem daarmee zolang op de kop tot hij dood was. Hij was
helemaal naakt, tot een bloedklomp geslagen en gekwetst; niet alleen
waren hem de kleren afgerukt, ook de haren, de schaamdelen, de lippen
en de neus. Een woesteling deed het lijk een strik om de voeten en
sleepte het door de straat. Hij riep daarbij aan één stuk: "VOILÀ LE
CHOLÉRA-MORBUS!" Een wondermooi witwoedend vrouwmens,
met ontblote borsten, haar handen helemaal met bloed bedekt, stond
erbij, en toen het lijk haar voorbij kwam gaf ze het een trap met de voet.
Ze lachte, en ze vroeg mij of ik voor dat zachtmoedige werkje niet een
paar franken over had; dan zou ze een zwart rouwkleed kunnen kopen,
want haar moeder was een paar uur daarvoor gestorven, aan gif.
III. Flanel
's Anderendaags bleek uit de kranten dat de ongelukkige mensen, die
men zo gruwelijk vermoord had, helemaal onschuldig geweest waren;
het verdachte poeder dat op hen gevonden was zou kamfer geweest zijn,
of chloruur, of een van die andere middeltjes tegen de cholera – en al
die zogenaamd vergiftigden waren, op de meest natuurlijke manier, aan
de heersende plaag bezweken. Het volk hier, zoals het volk overal,
ontsteekt rap in woede, en kan dan tot gruweldaden verleid worden;
maar als datzelfde volk bezadigde stemmen hoort, dan wordt het even
snel milder gestemd, en het berouwt hartsgrondig zijn ondaden. Met dat
soort stem hebben de kranten hier – direct de dag daarop – het volk
weten in te tomen en zachter te stemmen. Het mag een triomf van de
pers genoemd worden, dat ze in staat bleek het onheil zo snel in te
perken – onheil dat de politie met haar COMMUNIQUÉ had aangericht.
[...] Sindsdien is alles hier rustig; "L'ORDRE RÈGNE À PARIS", zou
onze minister van buitenlandse zaken, Horatius Sebastiani, zeggen. Een
doodse stilte heerst in gans Parijs. Een stenen ernst ligt op alle
gezichten. Vele avonden lang zag men zelfs op de BOULEVARDS
weinig mensen, en dan nog… dezen ijlden elkaar snel voorbij, met de
hand voor de mond, of een doek. De theaters waren uitgestorven. Als ik
een SALON binnenkom, dan zijn de lui verwonderd mij nog in Parijs
te zien – want dringende besognes heb ik hier toch niet? De meeste
buitenlanders –namelijk mijn landgenoten – zijn onmiddellijk afgereisd.
Gehoorzame ouders hadden van hun kinderen het bevel gekregen ten
spoedigste naar huis te komen. Godvrezende zonen vervulden zonder
dralen het zoete verzoek van de ouders, die hun terugkeer naar de
HEIMAT wensten. Eert uw vader en moeder, en gij zult lang leven op
aarde! Bij anderen ontwaakte plotseling een oneindige SEHNSUCHT
naar het dierbare vaderland, naar de romantische gouwen aan de
ontzagwekkende Rijn, naar de geliefde bergen, naar het gelukzalige
Schwaben: het land van de hoofse liefde en de vrouwentrouw, van de
lustige liederen en de gezonde lucht. In het HÔTEL DE VILLE zijn er
al meer dan 120.000 reispassen afgegeven, hoor ik.
En, alhoewel de cholera het zichtbaar gemunt had op de armere klassen,
tóch waren het de rijken die op slag de benen namen. Sommige
PARVENUS kan men het niet kwalijk nemen dat ze er vandoor gingen;
die dachten waarschijnlijk: de cholera, die komt van zo ver, uit Azië, en
die wéét dus niet dat wij de laatste tijd veel geld verdiend hebben op de
beurs – die houdt ons misschien nog voor arme drommels, en laat ons
toch nog in het gras bijten. Alexandre Aguado, markies DE LA
MARISMAS DEL GUADALQUIVIR, een der rijkste bankiers hier, en
ridder in het Erelegioen, was de veldmaarschalk van deze grote
terugtocht. Waanzinnig van angst zat de ridder, naar

Continue reading on your phone by scaning this QR Code
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the
Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.