Franse Toestanden | Page 5

Heinrich Heine
belangen van enige duizenden
mensen, die de vuilnis op de openbare weg als hùn domein
beschouwden. Dat zijn de zogenaamde CHIFFONNIERS, die hun
levensonderhoud halen uit het afval dat zich een hele dag voor de
huizen ophoopt, in hoekjes en kantjes. Met grote spitse korven op de
rug, en een prikstok in de hand, slenteren deze vuil- bleke gestalten –
deze mensen – door de straten en ze weten nog heel wat bruikbaars uit
het vuil te prikken en te verkopen. Maar nu gaf de politie die
afvalophaling in ENTREPRISE, om het vuil niet te lang op straat te
laten liggen. Het afval werd op karren geladen en moest direct de stad
uit, naar het vrije veld. Alleen daar was het de CHIFFONNIERS nog
toegestaan naar hartelust wat rond te vissen. Maar deze mensen
klaagden nu: dat ze gebroodroofd werden, of op zijn minst in hun
belangen geschaad; dat hun bedrijvigheid een lang verworven recht was,
een soort eigendom eigenlijk, die men hen niet zomaar willekeurig kon
afpakken.
Het is eigenaardig dat de argumentatie, die de CHIFFONNIERS daarbij
hanteerden, helemaal dezelfde was als die welke ook onze Duitse
landjonkers, gildenmeesters, tiendenpredikers, faculteitsgenoten en
andere bevoorrechten plegen in te roepen, als de oude misbruiken waar
zíj hun nut uit trekken – het afval van de middeleeuwen dus – als dié
misbruiken eens dreigen opgeruimd te worden, om op die manier
tenminste óns leven niet te verpesten met dat verjaard stof en die
vuiligheid.
Toen hun protest niks uithaalde, zochten de CHIFFONNIERS met
geweld die hervorming van de huisvuilophaling te verhinderen; ze
probeerden een kleine contrarevolutie, en wel met de steun van ouwe
vrouwen, de REVENDEUSES. Aan hen had men verboden om nog
langer het stinkende goedje, dat ze grotendeels van de
CHIFFONNIERS afnamen, langs de kaden uit te kramen. We zagen nu
een weerzinwekkende opstand: de nieuwe reinigingskarren werden
kapotgeslagen en in de Seine gesmeten. De CHIFFONNIERS
barricadeerden zich bij de PORTE ST-DENIS; bij CHÂTELET
vochten de ouwe-rommel- wijven met hun grote paraplu's; de algemene

strijdmars weerklonk; eerste minister Casimir Périer liet zijn
myrmidonen uit hun boetieken naar buiten trommelen; de troon van
burger-koning Louis-Philippe sidderde; de rente zakte; de karlisten
juichten. Deze laatsten, de aanhangers van het oude koningshuis en het
ANCIEN RÉGIME, hadden eindelijk hun natuurlijke bondgenoten
gevonden: lompenrapers en rommelkraamsters, want die kwamen nu
ook op voor dezelfde principes. Voorvechters van het vervallene, van
het overgeleverde erf-afvalrecht, en van alle soort uitvaagsel.
Het oproer van de CHIFFONNIERS werd dus door de gewapende
macht gesmoord; op dat moment greep de cholera nog niet zo woedend
om haar heen als sommigen het misschien wel gewenst hadden – want
zulke lui zijn er altijd: die hopen bij elke noodtoestand, of bij elke
volksopwinding, niet zozeer op hun eigen overwinning, als wel op de
val van de huidige regering.
En dan dook er ineens dat gerucht op – vergif! Die vele mensen, die zo
snel begraven waren – die waren niet aan een ziekte gestorven, maar
aan vergif. Het ging rond dat men op alle levensmiddelen vergif had
weten te strooien: op groentenmarkten was het gebeurd, bij de bakkers,
bij de slagers, bij de wijnhandelaars. Hoe ongelooflijker de verhalen
klonken, des te gretiger werden ze door het volk aangenomen – en toen
dan de politieprefect met een verklaring voor de pinnen kwam, moesten
zelfs hoofdschuddende twijfelaars er geloof aan hechten. Het is er de
politie hier minder om te doen – hier zoals overal elders – om misdaden
te verijdelen, dan wel om het zó te laten voorkomen, alsof ze altijd wel
weet hebben van wat er omgaat. Nu wilden ze met dat
COMMUNIQUÉ, ofwel pralen met die alwetendheid, ófwel
redeneerden ze: bij zulke berichten als over een vergiftiging – laat die
nu waar zijn of vals – moeten we in elk geval alle argwaan ten opzichte
van de regering proberen af te wenden. Wat er ook van zij, door hun
ongelukkig COMMUNIQUÉ, waarin uitdrukkelijk stond dat ze de
gifmengers op het spoor waren, werd dat kwaadaardige gerucht
natuurlijk ten volle bevestigd, en heel Parijs geraakte in een gruwelijke
doodsverbijstering.
"Wat moeten we toch horen!" riepen de oudste mensen, die zelfs in de

grimmigste ogenblikken van de Revolutie nooit zulke wandaden
meegemaakt hadden. "FRANÇAIS! we zijn onteerd!" riepen de
mannen en sloegen zich voor de kop. De vrouwen drukten hun kleine
kinderen angstig tegen het hart en weenden bitter, en jammerden – dat
de kleine wormpjes nog in hun armen zouden sterven. De arme mensen
durfden niet meer te eten of te drinken en wrongen zich de handen van
pijn en woede. Het was alsof de wereld verging. Op alle straathoeken,
meest bij de roodgemerkte wijnhuizen, stonden hele groepjes zich te
beraden. Daar was het ook, dat mensen die er wat verdacht uitzagen
afgetast werden, en wee! als men ook íets verdachts vond in
Continue reading on your phone by scaning this QR Code

 / 9
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.