Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate | Page 9

J. J. L. ten Kate
bergtop,?Als een rots met mosch bewassen,?Rosschig bruin en grijsgespikkeld.?Zachtkens sloop hij naar hem henen,?Tot hem 's monsters roode nagels?Haast beroerden, haast verschrikten,?Tot de wasem van zijn neusgat?Mudjekeewis' handen warmde,?Die den wampumgordel heentrok?Over de ooren, die niet hoorden,?Over de oogen, die niet zagen,?Langs de zwarte snoet en 't neusgat,?Dat, met heeten adem hijgend,?Mudjekeewis' handen warmde.?En verheugd den strijdaxt zwaaiend,?Onder 't juichen van een krijgskreet,?Trof hij plotsling Mishe-Mokwa,?Trof hij hem op 't ruige voorhoofd,?Juist in 't midden, tusschen de oogen.?Door den rouwen slag verbitterd,?Rees de groote beer der bergen;?Maar zijn logge knie?n beefden,?En hij jammerde als een meisjen,?Als hij stromplend voorwaarts wankte,?Als hij op zijn schenkels hurkte.?En de sterke Mudjekeewis,?Zonder vreeze voor hem staande,?Hoonde hem met luiden spotlach,?Dus verachtend hem begroetend:--?"Hoor, gij beer! gij zijt een flauwert,?"En geen held, zooals gij voorgeeft,?"Anders zoudt gij niet zoo krijten,?"Niet zoo jammren als een meisjen!?"Beer! gij weet het, onze stammen?"Zijn elkander lang vijandig,?"Lang reeds krijgden wij te samen;?"Wij, nu merkt gij 't, zijn de sterksten,?"Daarom deinst gij naar de bosschen,?"En verschuilt ge u in de bergen!?"Waarlijk, hadt ge mij verwonnen,?"Zucht noch kreun hadt gij vernomen;?"Maar daar zit gij, beer! en jammert,?"En onteert uw stam door klagen,?"Als een slechte Shaugodayn,?"Als een best van honderd jaren!"?Weêr deed hij den strijdaxt gonzen,?Nog eens trof hij Mishe-Mokwa?Midden op het ruige voorhoofd,?En vergruisde hem den schedel,?Even als de tred des visschers?In den winter ijs vergruizelt.?Zoo bezweek dan Mishe-Mokwa,?De ongelikte beer der bergen,?Uren ver de schrik der volken!?"Eeuwige eer zij Mudjekeewis!"?Juicht het volk met duizend stemmen:?"Eeuwige eer zij Mudjekeewis!"?"Westenwind, dat zal hij wezen,?"En na dezen en voor immer?"Zal hij heerschappije voeren?"Over al des hemels winden!?"Noem hem niet meer Mudjekeewis,?"Maar den Westenwind, Kabeyun!"?Alzoo werd nu Mudjekeewis?Vader aller hemelwinden.?'t West behield hij voor zich-zelven,?De andren gaf hij aan zijn kindren,?D' Oostenwind gaf hij aan Wabun,?'t Zuid' gaf hij aan Shawondasee;?En den Noordenwind, den ruwen?Grimmigen Kabibonokka.?Jong en lieflijk schoon was Wabun;?Hij was 't, die den morgen wekte,?Hij, wiens zilvren vleugelpijlen?'t Donker voor zich henenjoegen;?Hij, wiens zachte wangen gloeiden?Van de hoogste purperblosjens,?Hij, wiens stem de dorpsjeugd wekte,?'t Boschhert opriep, en den jager.?Eenzaam zat hij aan den hemel:?Of de vogels vroolijk zongen,?Of de bloemtjens van de weiden?Hem de lucht met geuren vulden,?Of de bosschen en de stroomen?Bij zijn naadring juichend zongen,?Altijd treurig sloeg hem 't harte,?Want hij was alléen daarboven.?Maar op zeekren vroegen morgen,?Als het dorpjen lag te slapen,?En de mist daarhenen rolde?Als een geest bij 't ochtendkrieken,?Ziet! daar zag hij, nederblikkend,?In een weide een jonkvrouw wandlen,?Die er eenzaam lelies plukte?Bij een beekjen in de weide.?Elken morgen, nederblikkend,?Was het eerst wat hij aanschouwde?Altijd weêr heur blauwende oogen,?Hem verwachtend, hem begroetend,?Blauwe meiren tusschen 't biesbosch.?En hij minde 't eenzaam meisjen,?Dat daar steeds zijn komst verwachtte;?Want zij waren beiden eenzaam,?Zij beneden, hij daarboven.?En hij maakte 't hof haar kozend?Met zijn zoetste zonnelachjens,?Met zijn zachtste fluisterwoordtjens,?Met zijn zuchtjens en zijn zangen,?Met zijn fluistren in de twijgen,?Met zijn toontjens, met zijn geurtjens;?Tot hij haar in de armen drukte,?In zijn purperkleed haar hulde,?En veranderde in een starre,?Eeuwig trillende aan zijn boezem;?En nu ziet men ze aan den hemel?Immer en te samen wandlen,?Wabun en de Wabun-Annung,?Wabun en de Morgensterre!?Maar het Noord, Kabibonokka,?Woonde tusschen ijsgebergten,?In een eindloos sneeuwgedwarrel,?In het koninkrijk Wabasso,?In het land van 't wit konijntjen.?Hij was 't, hij, wiens hand des najaars?Al de boomen vuurrood kleurde,?Rood en geel de blaaren plekte;?Hij was 't, die de vlokken strooide,?Sissend, fluitend door de bosschen;?Die rivier en meir versteende,?Die de meeuw naar 't Zuiden heendreef,?En den zeeraaf en den reiger?Naar hun nest van riet en zeegras,?Op 't gebied van Shawondasee.?Eens, daar trad Kabibonokka?Grimmig uit zijn warrlend sneeuwhuis,?Uit zijn huivrige ijsbergtente;?En zijn hair, met sneeuw besprenkeld,?Vloog hem na in zwarte golven,?Als de wilde winterbeeken,?Toen hij huilend Zuidwaards jaagde?Over ijszee en moerassen.?Daar, omringd van riet en biezen,?Vond hij Shinbegis, den duiker,?Snoeren aangeregen visschen?Na zich sleepend over d' ijsvloer,?Langs bevrozen veen en moerland,?Waar hij enkel nog vertoefde;?Want zijn stam was lang vertrokken?Naar het Land van Shawondasee.?Toornig riep Kabibonokka:?"Wie vermeet zich mij te tarten??"Wie durft in mijn rijk vertoeven,?"Als de Wawaas zijn verdwenen,?"Als de gans naar 't Zuiden klepte,?"En de reiger, de Shuh-shuh-gah,?"Lang alreê vertrok naar 't Zuiden??"'k Zal zijn wigwam binnentreden,?"En zijn smeulend vuur wel dooven!"?'s Nachts, daar trad Kabibonokka?Barsch en dreigend naar de woning,?Hoopte sneeuw op rond de wanden,?Dreef dan rook weêr in de schouwe,?Schudde' deurpost en gebindten,?Deed de tochtgordijnen waaien.?Shingebis, de duiker, hoorde 't,?'t Was hem altemaal om 't even:?Want hij had vier groote blokken,?Om zijn haardsteê meê te warmen:?Elk een brandstof voor vier weken;?En de visch was hem tot spijze.?Zoo dan zat hij bij de vlammen,?Warm en prettig, etend, lachend,?Zingend: "O Kabibonokka,?"Toch zijt gij mijn medestervling!"?Woedend trad Kabibonokka?Nu de hut des duikers binnen.?Shingebis, de duiker, voelde 't,?Voelde 't aan de groote koude,?Aan dien adem, kil en ijzig.?Toch hield hij niet op met zingen,?Toch hield hij niet op met lachen;?Maar hij keerde 't blok eens omme,?Liet de vlam wat hooger flikkren,?Liet een rosschen vonkenregen?Gonzend door de
Continue reading on your phone by scaning this QR Code

 / 23
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.