Mathias Sandorf | Page 9

Jules Verne
van te maken, even onneembaar als zijn Britsche tegenhanger; dat hij protesteerde tegen de onbeschofte woorden van master Ford: dat Ceuta aan Engeland moest toebehooren, omdat Spanje er niets van weet te maken en onbekwaam is om het te behouden indien het aangevallen werd; dat hij zich zeer vertoornd betoonde over die halsstarrige Engelschen, die nergens den voet aan wal kunnen zetten, zonder dat die voet dadelijk wortel schiet. Neen waarlijk, dat was niet te verwonderen.
"Inderdaad", riep hij vrij opgewonden uit, "voordat zij er aan denken, om zich van Ceuta meester te maken, moeten zij er voor waken, dat zij Gibraltar behouden! Er bestaat daar een berg, die Spanje op hun hoofd zou kunnen neerstorten!"
Dokter Antekirrt, zonder te vragen op welke wijze de Spanjaarden een zoodanig gewelddadig geologisch verschijnsel in het leven zouden kunnen roepen, wachtte zich wel die bewering tegen te spreken, die met al de opgewondenheid, een hidalgo zoo eigen, geuit was. Daarenboven werd het gesprek door het plotseling stil houden van het rijtuig afgebroken. De koetsier had zich genoodzaakt gezien zijne paarden te moeten inhouden bij eene verzameling van gedeporteerden, die als het ware den weg afsloten. Het was eene bepaalde opstopping, zooals men wel in groote steden, maar niet in eene verbeteringsplaats kon verwachten.
De gouverneur werd ongeduldig, wenkte met een enkel gebaar een der brigadiers van het bewakings-detachement, om tot hem te komen. Die agent naderde hem dadelijk met den voorgeschreven versnelden militairen pas. Bij het rijtuig aangekomen, bracht hij de hielen op dezelfde lijn, sloot het dikke der kuiten tegen elkander, bracht de rechterhand aan de klep zijner politiemuts, en wachtte in die voorschriftmatige houding, totdat de gouverneur het woord tot hem zoude richten.
Al de andere aanwezigen, zoowel bewakers als gevangenen, hadden zich op een gelid aan weerszijden van den weg geschaard en keken eerbiedig toe, zonder een vin te durven verroeren.
"Wat is er aan de hand?" vroeg de gouverneur. "Waarom die versperring van den weg?"
"Excellentie," antwoordde de brigadier, "wij hebben een veroordeelde op de helling van het talud van den weg vinden liggen. Hij schijnt slechts ingeslapen te zijn..."
"Welnu, brigadier? Wat heeft dat te beduiden?" ging kolonel Guyara met vragen voort.
"Men is er niet in geslaagd hem wakker te kunnen maken, Excellentie," was het antwoord.
"Sinds hoelang is die man in dien toestand, brigadier?"
"Sedert een uur ongeveer, Excellentie," was het eerbiedige antwoord van den ondergeschikte.
"En slaapt hij steeds door? Het is, alsof gij mij een sprookje vertelt."
"Steeds, Excellentie."
"Hoe weet gij dat, brigadier? Hebt gij u daarvan overtuigd? Zeg?"
"Ja, Excellentie. Hij is zoo ongevoelig, alsof hij dood ware. Men heeft hem geschud, men heeft hem geprikt...."
"Wat verder?"
"Men heeft hem geroepen, zelfs een pistoolschot vlak bij het oor gelost."
"Welnu?"
"Excellentie, hij voelt niets en hij hoort niets! Hij blijft ongevoelig en bewusteloos liggen."
"Waarom heeft men den geneesheer van het Presidio niet gehaald?" vroeg de gouverneur. "Dat is eene nalatigheid."
"Ik heb hem laten halen, Excellentie; maar men trof hem niet te huis"
"En?"
"In afwachting dat hij komt, weten wij niet, wat wij met dien man moeten uitvoeren."
"Welnu, laat hem naar het hospitaal dragen! Mij dunkt, dat is nog al eenvoudig."
De brigadier was op het punt dat bevel te doen uitvoeren, toen dokter Antekirrt tusschenbeide kwam.
"Heer gouverneur," sprak hij, "wilt gij mij in mijne hoedanigheid van geneesheer veroorloven, dien hardnekkigen slaper te onderzoeken. Ik wenschte hem wel van nabij gade te slaan."
"Waarachtig, dat 's waar ook," zei de gouverneur, "dat behoort tot uw departement!... Een boef, die door dokter Antekirrt behandeld zal worden!... Waarlijk, de kerel zal zich niet te beklagen hebben, dunkt me."
Het drietal stapte uit het rijtuig en de dokter naderde den veroordeelde, die op het talud van den weg uitgestrekt lag. Het leven vertoonde zich bij dien man, die in diepen slaap gedompeld was, niet anders meer dan door eene ietwat hijgende ademhaling en door eene snellere beweging van den pols. Dat was alles.
De dokter wenkte, dat de omstanders meer achteruit zouden wijken, om de toetreding van meer lucht mogelijk te maken. Toen dat gebeurd was, bukte hij zich over dat schijnbaar levenlooze lichaam, en sprak tot Carpena, maar met een zachte stem. Daarna bekeek hij hem een lange poos, alsof hij een zijner wilsuitingen in de hersenen van den galeiboef wilde doen doordringen.
En zich toen oprichtende, zeide hij kalm en bedaard, alsof het geheele voorval niets te beduiden had:
"Het is niets! Die man is slechts door een aanval van magnetischen slaap overvallen geworden!"
"Waarlijk?" vroeg de gouverneur. "Niets anders dan dat?"
"Niets anders," antwoordde de dokter met een schier onmerkbaren glimlach op de lippen.
"Dat is inderdaad zonderling," meende de gouverneur. "Vindt gij niet, dokter Antekirrt?"
"Toch niet," antwoordde deze ernstig en afgemeten in toon en gebaren. "Zoo iets komt meer voor."
"En kunt gij hem uit dien slaap wakker maken? Dat zou ik wel eens willen zien."
"Niets gemakkelijker dan dat!" antwoordde dokter Antekirrt meesmuilend. "Kijk goed toe, kolonel."
En na het voorhoofd
Continue reading on your phone by scaning this QR Code

 / 97
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.