die
in dit seer rond waren (daar deselve in andere Dierkens op verre na die ronte niet en
hadde) en by eenige wel voor de oogen souden aangesien worden. Dog de oogen en
konnen in soodanigen gedaante niet gesien werden, om dat die dus van ons gesigt afstaan.
I K L. ende P Q R. sijn ses doorschijnende uythangende deelen, die aan yder sijde van het
hoofd drie sijn.
Dese deelen sijn alleen de oorsaak dat ik de Kikvors-worm hebbe laten afteykenen: want
in yder van dese deelen sag ik met een groot vermaak seer distinct de ommeloop van het
bloet, het welke uyt die deelen die naast het lighaam lagen wierd voortgestooten na de
buytenste sijde van de selve, en volbrengende alsoo een continuële seer schielijke
omloopinge. Deze omloopinge en hadde geen egale beweginge, maar die wierd in seer
korten tijd, ende dat continueel, op nieuw met een seer schielijke voortstootinge te weeg
gebragt; en eer dat dese seer schielijke voortstootinge geschiede, souden wy (by aldien
wy geen continuële verheffinge in de loop hadden gesien) geoordeelt hebben, datter een
stilstant van loop op soude gevolgt hebben; dog de loop van 't bloet en begonde niet te
vertragen, of daar quam op nieuw weder een seer schielijke verheffinge van een
voortstootinge: soo datter in 't bloet van dit Dier, een continuele voortlopinge geschiede:
en als ik met een naeuwkeurige opmerkinge de korten tijd waar in yder voortstootinge op
nieuw geschiede, tragte af te meten; moet ik seggen; dat een vaardige mond, soo ras geen
hondert soude tellen, of daar geschiede in dese bloet-vaaten wel hondert schielijke
voortstootinge van bloet. Hier uyt stelde ik vast, dat soo menigmaal als dese seer
schielijke voortstootinge wierd te wege gebragt, dat soo menigmaal het bloet uyt het Hert
wierd gestooten. Ja ik sag deze beweginge soo net (dat alle de voortstootinge van het
bloed uyt het Hert, ende de overgang van de Arterien, daar die in malkanderen
vereenigen, tot inde Vena) geschieden, als ik, of ymand anders, sig eenigsins soude
konnen imagineren.
Dit gesigt, tot mijn over groot vermaak veelmaal hebbende beschoud, wilde ik niet
verbergen; maar hebbe het selve aan vijf voorname Heeren vertoont; die my verklaarden
noyt iets van my gesien te hebben, dat soo waardig was geweest te aanschouwen. Ik moet
hier nog byvoegen, dat soo dit bloet een egale dunne vogt hadde geweest, wy het selvige
onmogelijk souden hebben konnen bekennen: maar nu het bloet bestond uyt een seer
heldere vogt, vermengt soo het in 't oog scheen met kleinder en grooter globulen, die,
al-hoe-wel geen couleur en hadden, egter seer klaar konden gesien werden, soo was de
bekentenisse van den ommeloop soo veel te naakter.
Als dese Worm-kikvorschen eenige dagen out waaren geworden, soo en konde ik geen
van alle dese ses uythangende deelen (daar in yder van deselve de ommeloop van 't bloet
geschiede) meer sien, maar als dan scheen het my toe dat die met een huyt waren
overtrokken.
Ik konde ook als doen aan yder sijde van het hoofd, wel soo een seer schielijke
beweginge (als hier vooren is geseit) sien, maar ik konde geen ommeloop van het bloet
gewaar werden. So dat ik als doen ook geen hoofd van het lighaam meer en konde
onderscheiden, want dat scheen aan malkanderen te sijn vereenigt. Wanneer dese
Worm-kikvorschen, omtrent agt a thien dagen out waren, en omtrent tweemaal in groote
waren toegenomen, soo sag ik dat haar mond met op en toedoen, so een schielijke
continueele beweginge hadde, als ik hier vooren geseit hebbe van de beweginge van het
bloet: en als doen waren de tanden boven en onder in de mond sodanig uytgewassen, dat
ik die perfect konde sien: Dese tanden waren in soo groote menigte, en stonden in
sodanigen ordre, als een rije tanden staan, in de mond van een vis die wy een zeehaye
noemen.
Met dese mijne observatien heb ik my niet vergenoegt gehouden, maar ik hebbe alle
mijne kragten ingespannen, omme de geseide ommeloop des bloets te vervolgen, en
hebbe dese Wormkikvorssen, agt a thien dagen out sijnde, op alle bedenkelyke manieren
geobserveert, en hebbe van binnen in 't lighaam sien bewegen een klein deeltje, dat ik my
imagineerde het hert te sijn, als wanneer ook de stoffe die in het selvige was, en daar uyt
wierd voortgestoten, al een roode couleur begonde aan te nemen. Dit deel, dat ik voor het
hert aan sag, hadde zoodanige schielijke beweginge als ik geseit hebbe dat inde
bloet-aderen geschiede. Voorts soo dikmaal als ik sag dat dit gepresumeerde hert, sig
beweegde, soo menigmaal wierden ook de oogen van het Dier een weinig bewogen: soo
dat ik my inbeelde dat de beweginge van de oogen alleen van de beweginge van het hert
en mond afhingen. Welke oogen, soo in uytpuylende ronte, als in swartigheid in 't

Continue reading on your phone by scaning this QR Code
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the
Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.