Hanekot_ (1626) ten gunste van den afgezetten predikant Hanekop en
tegen zijne
contra-remonstrantste ambtsbroeders te Amsterdam; _het
sprookje van Reintje de Vos_ (1627) tegen den oud-burgemeester
Reinier Pauw; _de Medaellie van den Gommaristen Kettermeester en
Inquisiteur te Dordrecht; de Roskam; de Harpoen; een otter in 't
bolwerk_ tegen Otto Radius (allen in 1630); en eindelijk het van
verontwaardiging gloeiend _Decretum Horribile_ (1631) tegen de
predestinatie-leer van Calvijn.--Vondel scheen onvermoeibaar en
onuitputtelijk.
Vijf zangen van een historisch heldendicht: _de tocht van Keizer
Konstantijn naar Rome_, waren ook reeds afgewerkt, toen helaas! de
dood hem zijn diepbetreurde echtgenoote in 1635 ontrukte, en den in
zijn moed geknakten dichter dwong zijne grootsche onderneming te
staken. Slechts op 75-jarigen leeftijd keerde hij in "Joannes de
Boetgezant" tot de epische dichtsoort weder.
Algemeenen bijval en groote verdiensten verwierf hij in 1637. Samuel
Costers Academie, vroeger slechts een houten loods, was destijds in
een schouwburg herschapen, welke, bij de opening, door Vondel werd
ingewijd met een overheerlijk treurspel _Gijsbrecht van Aemstel_, eene
gedramatiseerde navolging van 't tweede boek van Virgilius, waarin hij
den »ondergangk" van het doorluchtige Amsterdam bezong. Aan de
omstandigheid, dat de handeling op Kerstnacht wordt voorgesteld,
hebben wij het hemelsch lied te danken:
O Kerstnacht schooner dan de dagen.
Het is overbekend dat nog jaarlijks de Gijsbrecht ten tooneele wordt
gevoerd.
De tijd naderde, waarop een geheele ommekeer in de denkwijze en de
levensbetrekkingen van den grooten en edelhartigen man zou plaats
grijpen. In 't gevoelen van Menno Simons opgevoed door zijne
ouders--ofschoon zijne Roomsch gedoopte moeder wellicht tot de
Roomsche Kerk is teruggekeerd en daarin gestorven--was hij altijd
godsdienstig en vroom van gemoed geweest en zelfs diaken der
Waterlandsche-Doopsgezinde gemeente, eene betrekking nogtans, die
hij door ziekte of zwakte verhinderd en door de veelvuldige twisten
ontstemd, reeds lang had laten varen. Eerst meende men in den
Oud-diaken eene zekere overhelling, en spoedig daarop eene sterke
voorliefde tot de R. K. Kerk te bespeuren.
Negen jaren na zijn openlijken overgang tot het Roomsch geloof,
getuigde de warme Katholiek van zich zelven:
Mijn jonkheid bond door erref-leer
Zich aan één Secte en geene meer,
Tot dat me, door een klaarder blijk
Van 't Wereldlijk en Kerkelijk,
Ontdekt wierd, in een schooner dag,
De Perle, die verborgen lag,
Waarvoor men' al met winst verliest.
Gelukkig die het beste kiest!
De dichter dezer versregelen was een hoog ernstig man, die, wars van
halve overtuiging, niet plotseling tot dien gewichtigen stap was
overgegaan. Lang, zeer lang had hij de »verborgen perle" gezocht.
Reeds in 1621 of 22 had hij, op verzoek van Anna Roemers, _tot lof
der kuische Martelares Agnes_ met den diepsten eerbied over de
relieken der Heiligen en hunne jaarlijksche gedachtenisviering
gesproken. Of het
echt-katholieke kunstjuweel _de kruisberg_ tot het
jaar 1624 behoort, hebben wij hier niet te beslissen, daar een gedicht
van 1625 of 26 op Paus Urbanus VIII, uit het Latijn zijns broeders
vertolkt, nog duidelijker eene katholiseerende strekking verraadt en
luide genoeg datgene huldigt, wat een gruwel moest zijn in het oog van
ieder Protestant, te weten: het kerkelijke of liever het pauselijk
oppergezag in het Katholicisme:
Dees is de groote Sleutelvoogd
Van 's Hemels poorte; rust nu, poogt
Niet meer te weten: buig uw knien
En kus zijn voeten wijd ontzien.
Dat klinkt al vrij roomsch, zelfs ultramontaansch. En was hij niet aan 't
twijfelen, stelde hij geen redelijk onderzoek naar de waarheid in,
bestond er geen zielestrijd bij hem, die in 1630 schreef:
Ziet, onze Joost
Die zoekt, maar vindt geen troost?
Of ook, was hij geen geestverwant van den katholiseerenden Huig de
Groot, toen hij, onder andere, 't volgend vers van hem in 1632
vertaalde:
Zie naarstig van onze eeuw terug na de oude jaren!
Eene frissche, geheel katholieke kleur ligt er verspreid over 't
grafschrift, waarin de katholieke rechtsgeleerde C. G. Plemp, in 1638,
aldus sprekend door Vondel wordt ingevoerd:
Doch boven Poezy en snaar
Omhelsde ik ijvrig 't Roomsch autaar,
En hing, om staat, noch snood genot,
Mijn hart aan niemand dan aan
God
En Jezus' nimmer feilbre stem.
Hier rust nu Plemp: ay, bid
voor hem!
Een gebed voor de zielen in 't vagevuur!
In 1639 verscheen het treurspel _Maagden_ en G. Brandt legt de gulle
bekentenis af: »hoe pryswaardig het treurspel der Maagden was ten
opzicht van de kunst, men vondt er evenwel zaaken in, die veelen
bedroefden: des Dichters zucht tot de stellingen en gewoonten der
Roomsche Kerke, en zyne afwyking tot haare dwaalingen, die hy
welhaast in andere zyne dichtwerken ten volle openbaarde. Men hielt
dat hy, Gysbrecht van Amstels treurspel dichtende, toen alreede aan 't
waggelen was."[15]
Brandt en zijn tijdgenooten hadden juist gezien. Het jaar 1640 zal
Vondel in ernstige overpeinzing hebben doorgebracht, tot dat hij, in
1641, het voorbeeld zijner beminnelijke Anna volgend, de "verborgen
Parel" eindelijk meester werd en openlijk tot de Moederkerk
wederkeerde.--Dat was een keerpunt in zijn leven en dichterlijke
strekking. Over de beweegredenen en de uiterlijke toedracht

Continue reading on your phone by scaning this QR Code
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the
Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.