vlak terrein, waarop wij onze barakken konden opslaan;
voorts de nabijheid van eene rivier of althans van drinkbaar water;
eindelijk eene geschikte aanlegplaats voor de sloepen die ons materieel
aan wal moesten brengen en later, bij den terugkeer van de Romanche,
onze gemeenschap met het schip moesten verzekeren. De eerste van
deze drie voorwaarden bleek niet voor vervulling vatbaar. Overal waar
zich een vlak terrein bevond, was de grond zoo drassig, dat het zeer
moeilijk viel daarop te loopen; wij moesten dus een hooger terrein
kiezen, waar wij de hutten boven elkander zouden kunnen plaatsen,
hetzij op natuurlijke terrassen, hetzij op kunstmatige platformen van
boomstammen. Wij aarzelden aanvankelijk in de keus tusschen een
landpunt, later Pointe Lephay genoemd, en een kleinen heuvel een
weinig ten noorden van die landpunt. Ten slotte kozen wij dit laatste
punt, vooral van wege de onmiddellijke nabijheid van eene rivier; en in
den vroegen morgen van den achtsten September begonnen de
werklieden der missie, bijgestaan door eene talrijke afdeeling matrozen
van de Romanche het terrein te ontginnen: welke arbeid de volgende
dagen ijverig werd voortgezet.
Den zes-en-twintigsten September 1882 werden de eerste
waarnemingen gedaan, die gedurende een geheel jaar onafgebroken
moesten worden voortgezet. Eigenlijk hadden zij reeds op den eersten
September moeten beginnen; maar wij waren eerst op den zesden
aangekomen, en de sedert verloopen twintig dagen waren volstrekt
noodig geweest voor onze installatie. Het met dicht kreupelhout en
struikgewas begroeide terrein moest worden gezuiverd en geëffend,
waarbij op sommige plaatsen de rots moest worden afgehakt. Nadat de
barakken waren opgeslagen, moesten de wanden en de zoldering van
binnen met een laag vilt, en de vloer met linoleum worden bekleed, om
zoo veel mogelijk de koude en de vocht af te weren.
Met de onderzoekingen betreffende de natuurlijke historie was
aanstonds een aanvang gemaakt; evenzoo hadden wij al dadelijk kennis
kunnen maken met de inboorlingen. Reeds den volgenden dag na onze
aankomst in de Oranjebaai waren verschillende prauwen van
boomschors naar het schip gekomen; de inboorlingen vroegen om
levensmiddelen en voornamelijk scheepsbeschuit, en boden in ruil
daarvoor eenige produkten hunner kinderlijke nijverheid aan, zoo als
halskettingen van beenderen of schelpen, beenen punten van harpoenen
en dergelijken. Deze Vuurlanders schenen in het minst niet ongerust of
verbaasd over onze verschijning: veel meer trachtten zij zoo veel
beschuit, brood of andere spijzen te krijgen als maar mogelijk was. Zij
vroegen noch om brandewijn, noch om tabak, waarmede zij
waarschijnlijk geheel onbekend waren; oude kleeren namen zij ook
gewillig aan, maar toch was het hun hoofdzakelijk om eetwaren te
doen.
Het is niet gemakkelijk, met juistheid den eersten indruk weer te geven,
dien de verschijning van deze inboorlingen op ons maakte. Naar het
scheen zonder eenig wantrouwen of vrees te koesteren, kwamen zij ons
bezoeken of liever om voedsel vragen, in hunne kano's van boomschors,
allen, mannen en vrouwen, ouden en jongen, geheel naakt of hoogstens
bekleed met een stuk otter- of zeehondenvel, dat over hunne schouders
was geworpen. Gedurende onzen overtocht hadden wij alles gelezen
wat vroegere zeevaarders, zoo als Weddell, Fitz-Roy, Darwin, Wilkes,
over de bewoners van Vuurland geschreven hadden; wij wisten dus dat
zij, naar de eenstemmige verklaring van al deze schrijvers, ongeveer op
den allerlaagsten trap van menschelijke ontwikkeling staan. Zoodra wij
de Vuurlanders zagen, meenden wij hen dan ook te kennen, en zochten
wij reeds naar de voornaamste karaktertrekken, door de vroegere
onderzoekers aangewezen. Onze verrassing was dus minder groot dan
zij anders geweest zou zijn; vooral verwonderde het ons dat wij geen
woord van hunne taal verstonden, hoewel wij ijverig de woordenlijst
van Fitz-Roy en de taalkundige mededeelingen van andere schrijvers
hadden bestudeerd. Het eenige woord dat wij verstonden was het woord
beschuit, dat zij biskit of biskir uitspraken en dat als in hun mond
bestorven lag. Pogingen om uit te maken met welken stam wij eigenlijk
te doen hadden, waren aanvankelijk ten eenemale vruchteloos.
Eerst den volgenden dag, nadat wij de inboorlingen bij herhaling in
hunne hutten hadden bezocht en nauwkeurig gelet op een zeker aantal
woorden, die zij telkens gebruikten, kwamen wij tot de zekerheid dat de
aan de Oranjebaai gevestigde stam dezelfde was, waaraan Fitz-Roy den
naam van Tekinika geeft. Onze eerste gesprekken met deze
inboorlingen werden grootelijks vergemakkelijkt omdat een hunner
eenige woorden engelsch verstond en sprak. Hij zeide Jack te heeten,
had eene vrouw en twee kinderen bij zich en had in zooverre iets voor
boven zijne stamgenooten, dat hij een mondvol engelsch verstond; voor
het overige verkeerde hij in even ellendigen toestand als alle anderen.
Hij ontving ons in zijne hut met de grootst mogelijke koelheid; hij
antwoordde vrij vlug op de eerste vragen die wij tot hem richtten, maar
bleef weldra hardnekkig zwijgen, hetzij uit vermoeidheid, hetzij uit
wantrouwen, of om welke reden ook. Over het algemeen was er een
merkwaardig verschil tusschen de manier van doen
Continue reading on your phone by scaning this QR Code
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the
Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.