om den Pelvoux samenpakten, en de opstekende wind schenen te voorspellen, dan kon onze toestand vrij onpleizierig worden. Daar wij sedert drie uren in den morgen bijna niets gegeten hadden, begon de honger ons te kwellen; en het ruischen eener naburige beek, die wij echter niet konden zien, verdubbelde onzen dorst, S��miond wilde water uit die beek gaan scheppen; het gelukte hem inderdaad haar te bereiken, maar nu kon hij niet meer naar ons terugkeeren; om hem in zijne gedwongene afzondering te troosten, riepen wij hem van tijd tot tijd in den donker toe.
"Men zou moeilijk een minder geschikte plaats kunnen bedenken om den nacht onder den blooten hemel door te brengen: de plek was geheel open en onbeschut. Ons bivouak lag geheel bloot voor den ijskouden wind, die van oogenblik tot oogenblik aanwakkerde; daarbij ontbrak het geheel aan ruimte om ons door heen en weder te loopen eenigermate te verwarmen. De grond was bedekt met steenen en gruis, die wij moesten wegruimen, alvorens wij konden gaan zitten om te rusten. Deze gedwongen arbeid, die ons aanvankelijk zuur genoeg viel, had althans dit voordeel, dat ons bloed in beweging bleef en wij dus minder last van de koude hadden. Na met dit wegruimen van steenen zoo wat een uur bezig te zijn geweest, had ik althans een vrij terrein van ongeveer drie el lengte verkregen, waar ik op en neder loopen kon. Reynaud maakte zich eerst boos, en schold op den drager, naar wiens raadgevingen meer dan naar de zijne geluisterd was; toen stelde hij zich aan als een wanhopige, maakte allerlei heftige gebaren, wrong zich de handen en jammerde luide: "O ramp, o ramp! Die ellendelingen!"
"Het duurde niet lang of het begon te donderen; zonder ophouden rolde de donder en flikkerden de bliksemstralen tusschen de bergtoppen rondom ons; de wind, die de temperatuur tot bijna op nul had doen dalen, drong verstijvend door tot op ons gebeente. Huiverend zaten wij daar bijeen, en onderzochten onzen voorraad. Wij hadden nog zes en een halve sigaar, twee doosjes lucifers, een derde pint brandewijn met water, en een halve pint wijngeest: een schrale voorraad voor drie toeristen, die half dood waren van honger en koude, en die nog zeven uren moesten wachten eer de dag aanbrak. De lamp met wijngeest werd aangestoken, en wij warmden daarop het overschot van den wijngeest, den brandewijn en een weinig sneeuw, alles te zamen. De drank was wel wat al te sterk; maar toch zouden wij er gaarne meer van hebben gehad. Toen de voorraad opgedronken was, poogde Macdonald zijn schoenen te drogen bij de vlam van de lamp; daarop gingen wij alle drie onder mijn plaid liggen, om zoo mogelijk wat te rusten. Ongelukkig werd Reynaud geplaagd door eene vreeselijke kiespijn, die er juist niet toe bijdroeg om hem in zijn humeur te brengen en ons een rustigen nacht te verzekeren.
"Maar zelfs aan de langste nachten komt toch een einde, en ook deze ging voorbij als alle andere. In vijf kwartier volbrachten wij des morgens den tocht bergafwaarts naar onze rots, waar wij onzen drager vonden, schijnbaar zeer verbaasd over onze afwezigheid. Volgens zijn zeggen had hij een groot vuur aangelegd om ons bij het afdalen van dienst te zijn, en had hij den geheelen nacht door van tijd tot tijd geroepen om ons te waarschuwen. Wij hadden niets van zijn vuur bemerkt, noch zijn roepen gehoord. Hij beweerde dat wij er uitzagen als spoken. Wat wonder! dit was de vierde nacht, dien wij in de open lucht doorbrachten.
"Wij verfrischten ons zoo goed wij konden, en reinigden ons, wat hoog noodig was. De bewoners dezer valleien hebben altijd eene menigte van die kleine insecten bij zich, wier vlugheid wedijvert met hun aantal en hunne gulzigheid. Het is gevaarlijk, die lieden te dicht te naderen: men moet daarbij steeds letten op den wind en zorgen dien in zijn voordeel te houden. Ondanks al deze voorzorgen, liepen wij toch soms gevaar, binnen weinige oogenblikken levend verslonden te worden. Trouwens, wij allen konden hoogstens rekenen op een kortstondigen wapenstilstand in dezen noodlottigen krijg, want de herbergen wemelen van dit gedierte, niet minder dan de huid der inlanders. De plaatselijke traditie weet zelfs te verhalen van een al te zorgeloos reiziger, die door een leger dezer gulzige folteraars uit zijn bed werd gelicht! Maar dit feit eischt nadere bevestiging. Nog een enkel woord, en ik stap van dit misselijk onderwerp af. Toen wij, na ons gewasschen te hebben, bij ons gezelschap terugkeerden, waren de Franschen onderling in gesprek. "O, zeide de oude S��miond, wat de vlooien betreft, maak ik er geen aanspraak op, anders te zijn dan de anderen: ik heb er althans geen gebrek aan!" Ditmaal voor 't minst sprak hij stellig de waarheid.
"Wij daalden op ons gemak naar Ville af, waar wij eenige dagen vertoefden en ons

Continue reading on your phone by scaning this QR Code
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the
Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.