De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 | Page 5

Not Available
met frissche krachten onze verschrikkelijke vesting te bestormen.
"Het was bijna middag geworden, en wij waren nog altijd even ver van den top van den Pelvoux, als toen wij onzen tocht begonnen. Eindelijk stonden wij stil om te overleggen.
"S��miond, oude jongen, weet gij waar wij nu zijn?
--O ja, zeker: op een half uur afstands van de sneeuw.
--Heel goed; dan maar voorwaarts."
"Een half uur verliep, daarna nog een, en er was nog niets veranderd: allerwege bastions, contreforten, pyramiden, ravijnen, maar van het plateau was niets te bespeuren. S��miond wierp angstige blikken om zich, alsof hij niet geheel zeker was van de richting, die wij volgen moesten. Wij riepen hem aan, en nogmaals deed ik hem dezelfde vraag.
"Hoe ver zijn wij nu van het plateau?
--Een half uur, antwoordde hij.
--Maar dat hebt ge straks ook al gezegd: weet ge zeker dat wij op den goeden weg zijn?
--Ja, dat geloof ik wel."
Hij geloofde het: dat was niet genoeg.
"Weet ge zeker dat wij rechtstreeks naar de piek des Arcines klimmen?
--De piek des Arcines! riep hij heel verwonderd, alsof hij die woorden voor de eerste maal hoorde. De piek des Arcines! Neen! maar wij gaan in rechte lijn naar de pyramide, naar de beroemde pyramide, die ik den vermaarden kapitein Durand heb helpen oprichten, enz."
"Wij hadden een ganschen dag met hem over die piek gesproken, en nu kwam het uit dat hij die zelfs niet kende. Ik keerde mij tot Reynaud, die als verplet stond.
"Wat zegt hij? vroeg ik hem.
"Reynaud haalde de schouders op.
"Wij gaven S��miond nog eens duidelijk te kennen wat wij begeerden, en beduidden hem dat wij liever zouden terugkeeren, want dat wij ons in het minst niet bekommerden om zijne pyramide.
"Na een uur gerust te hebben, begonnen wij dus weder af te dalen; wij hadden bijna zeven uren noodig om onze rots te bereiken, waar wij hadden overnacht; maar ik rekende den afstand niet, en weet mij niets meer te herinneren van dien fatalen tocht. Nauwelijks waren wij beneden gekomen, of wij deden eene ontdekking, die ons niet minder verraste, dan het gezicht van een voetstap in het zand van zijn eiland eenmaal Robinson verbaasde: nabij onzen uitgebranden vuurhaard lag een blauwe sluier op den grond. Er was maar ����ne verklaring van dit verschijnsel mogelijk: Macdonald was gekomen; maar waar was hij dan? Haastig rapen wij onze kleine bagage bijeen, en dalen, al tastende, in den donker, door deze woestijn van steenen, naar Ailefroide, waar wij tegen half tien aankomen.
"Waar is de engelsche heer?" dat was onze eerste vraag. Hij was naar Ville gegaan om daar te overnachten.
"Wij behielpen ons voor dien nacht, zoo goed het ging, op een hooizolder; en den volgenden morgen, na met S��miond afgerekend te hebben, daalden wij de vallei af om Macdonald op te zoeken. Ons plan was reeds vastgesteld: wij zouden hem overreden met ons te gaan, en dan zouden wij onzen tocht hervatten, maar nu zonder gids; de sterkste en verstandigste mijner metgezellen zou dan als drager dienst kunnen doen. Ik had daarbij bepaaldelijk aan Giraud gedacht, een flinke kerel, altijd gereed om alles aan te vatten en toch zonder eenige pretensie. Maar wij werden bitter teleurgesteld: hij moest noodzakelijk naar Brian?on gaan.
"Onderweg hadden wij allerlei oponthoud. De boeren, die wij tegenkwamen, vroegen ons, hoe het met onzen tocht was afgeloopen, en de beleefdheid vorderde dat wij stilhielden om te antwoorden. Intusschen vreesde ik, dat Macdonald mij ontsnappen zou, want, naar men ons mededeelde, zou hij niet langer dan tot tien uur op ons wachten, en die termijn was welhaast verstreken. Wij liepen dus zoo hard wij konden. Eindelijk stond ik op de brug te Ville, juist vijf kwartier nadat wij Ailefroide verlaten hadden; hier hield een wegwerker mij tegen, met het bericht dat de engelsche heer naar La Bess��e was vertrokken. Ik spoedde mij voort, en liep een poos haastig over den weg, zonder hem te zien; maar eindelijk, bij het omslaan van een nieuwen hoek, bespeurde ik Macdonald, met snellen tred voor mij uitgaande. Ik riep hem aan; gelukkig hoorde hij mij, en wij keerden te zamen naar Ville terug. Daar voorzagen wij ons van nieuwen voorraad; en nog dien eigen middag stegen wij bergopwaarts tot voorbij de rots, waar ik den vorigen keer had overnacht. Zooals ik gezegd heb, hadden wij ons voorgenomen ditmaal geen gids te nemen; maar toen wij te La Pisse kwamen, bood de oude S��miond ons zijne diensten aan. Ondanks zijne jaren, kon hij nog zeer goed loopen, en Macdonald was van oordeel dat wij beter deden hem mede te nemen. Ik bood hem een vijfde van zijne vroegere belooning, en hij nam zonder bedenken mijn aanbod aan; maar ditmaal vervulde hij eene meer ondergeschikte betrekking: wij zouden den weg wijzen, hij had slechts te volgen. Onze tweede metgezel was een jonkman van zeven-en-twintig jaar, die ons weinig reden tot
Continue reading on your phone by scaning this QR Code

 / 325
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.